Wijsheid van Jezus Sirach
  Woord vooraf
Wijsheid komt van de Heer (1:1-10)
Wijsheid is ontzag voor de Heer (1:11-30)
Standvastig in beproevingen (2:1-18)
Eerbied voor de ouders (3:1-16)
Bescheidenheid (3:17-29)
Omgang met mensen in nood (3:30-4:10)
Wijsheid brengt zegen (4:11-19)
Schaamte (4:20-31)
Verwaandheid (5:1-8)
Spreken met dubbele tong (5:9-6:1)
Onbeheerste hartstocht (6:2-4)
Vriendschap (6:5-17)
Wijsheid is rust en vreugde (6:18-37)
Onrecht (7:1-3)
Macht (7:4-7)
Waarschuwingen (7:8-17)
Omgang met je naasten en de priester (7:18-36)
Omgang met anderen (8:1-19)
Omgang met vrouwen (9:1-9)
Andere omgangsregels (9:10-18)
Gezagsdragers (10:1-5)
Hoogmoed (10:6-18)
Eer (10:19-11:9)
Rijkdom en armoede (11:10-28)
Voorzichtig met gastvrijheid (11:29-34)
Goeddoen (12:1-7)
Vertrouw je vijand niet (12:8-18)
Omgang met rijken (13:1-23)
Omgang met rijkdom (13:24-14:19)
Wijsheid brengt geluk (14:20-15:10)
Vrijheid om te kiezen (15:11-20)
Straf voor zondaars (16:1-23)
De werken van de Heer (16:24-17:16)
De Heer laat Israël niet in de steek (17:17-24)
Zondig niet langer (17:25-32)
De Heer en de mens (18:1-14)
Geschenken (18:15-18)
Voorzorg en behoedzaamheid (18:19-29)
Zelfbeheersing (18:30-19:3)
Roddel (19:4-19)
Ware en valse wijsheid (19:20-30)
Spreken en zwijgen (20:1-8)
Geluk en ongeluk (20:9-17)
Ongepast spreken (20:18-26)
Toon wijsheid (20:27-32)
Vlucht voor zonden (21:1-10)
Wijsheid en dwaasheid (21:11-28)
Luiheid en onbeschaamdheid (22:1-8)
Wees op je hoede voor een dwaas (22:9-18)
Vriendschap (22:19-26)
Behoedzaamheid (22:27-23:6)
Onderricht in het spreken (23:7-15)
Ontucht en overspel (23:16-28)
De wijsheid prijst zichzelf (23:1-24:22)
Wijsheid en de wet (24:23-34)
Prijzenswaardige en afkeurenswaardige dingen (25:1-12)
Slechte en goede vrouwen (25:13-26:27)
Afkeurenswaardige dingen (26:28-27:15)
Onbetrouwbaarheid (27:16-29)
Wrok en woede (27:30-28:7)
Ruzie (28:8-12)
Roddel (28:13-26)
Geld lenen (29:1-7)
Aalmoezen (29:8-13)
Borg (29:14-20)
Onafhankelijkheid (29:21-28)
Opvoeding (29:1-30:13)
Gezondheid (30:14-25)
Rijkdom (31:1-11)
Tafelmanieren (31:12-32:2)
Gepast en ongepast spreken (32:3-13)
Ontzag voor de Heer en de wet (32:14-33:6)
Het ene tegenover het andere (33:7-19)
Onafhankelijkheid (33:20-24)
Omgang met slaven (33:25-33)
Dromen (34:1-8)
Kennis en ervaring (34:9-20)
Offers (34:21-35:13)
De Heer zorgt voor de zwakken (35:14-26)
Gebed om erbarmen voor Israël (36:1-19)
De vrouw, de vriend en de raadgever (36:20-37:26)
Matigheid (37:27-31)
Gezondheid (38:1-15)
Rouw (38:16-23)
Werklieden en schriftgeleerden (38:24-39:11)
Lofzang op de Heer (39:12-35)
Zorgen en ellende (40:1-11)
Onrecht en goedgunstigheid (40:12-17)
Ontzag voor de Heer (40:18-27)
Bedelen (40:28-30)
De dood (41:1-13)
Schaamte (41:14-42:8)
Zorgen om een dochter (42:9-14)
Lofzang op Gods schepping (42:15-43:33)
Lofzang op de voorvaders (43:1-44:15)
Henoch en Noach (44:16-18)
Abraham, Isaak en Jakob (44:19-23)
Mozes (44:1-45:5)
Aäron (45:6-22)
Pinechas (45:23-26)
Jozua en Kaleb (46:1-10)
De rechters (46:11-20)
Natan en David (47:1-11)
Salomo, Rechabeam en Jerobeam (47:12-25)
Elia (48:1-11)
Elisa (48:12-16)
Hizkia en Jesaja (48:17-25)
Josia en Jeremia (49:1-7)
Ezechiël en de twaalf profeten (49:8-10)
Zerubbabel, Jozua en Nehemia (49:11-13)
Henoch, Jozef, Sem, Set en Adam (49:14-16)
Simon de hogepriester (50:1-24)
Slotopmerkingen (50:25-29)
Lofpsalm (50:1-51:12)
Volg het spoor van de wijsheid (51:13-30)