index boek
vorige
volgende
 
 

Jeremia 30:1-31:40
Hoop voor Israël en Juda

[30] 1 De HEER richtte de volgende woorden tot Jeremia:

2 ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Schrijf alle dingen die ik je heb gezegd in een boekrol. 3 Want de dag zal komen – zegt de HEER – dat ik het lot van mijn volk Israël en van Juda ten goede keer, dat ik hen terugbreng naar het land dat ik hun voorouders gegeven heb en dat zij het in bezit zullen nemen – spreekt de HEER.’

4 Hier volgen de woorden die de HEER tot Israël en Juda sprak.


5 ‘Dit zegt de HEER:
Ik hoor geschreeuw van ontzetting,
kreten van angst en paniek.
6 Zeg eens: kunnen mannen baren?
Waarom zie ik dan dat elke man
zijn handen op zijn buik houdt,
zoals een vrouw die baart?
Waarom is hun gezicht zo grauw?
7 Wee! Die vreselijke dag kent zijn gelijke niet!
Het volk van Jakob komt in grote nood,
maar het wordt gered.
8 Ik breek op die dag het juk van je nek,
je banden ruk ik los
– spreekt de HEER van de hemelse machten.
Nooit meer wordt Jakobs volk de slaaf van vreemden,
9 maar het dient mij, de HEER, zijn God,
en David, de koning die ik over hen heb aangesteld.
10 Wees niet bang, mijn dienaar Jakob,
heb geen angst, Israël – spreekt de HEER.
Ik zal je uit dat verre land bevrijden,
uit de ballingschap breng ik je nageslacht terug.
Het volk van Jakob keert terug en zal in vrede leven,
zonder zorgen, zonder dat het nog wordt opgeschrikt.
11 Ik sta je ter zijde en zal je bevrijden
– spreekt de HEER.
De landen waarnaar ik je verdreven heb,
vaag ik allemaal weg.
Je krijgt de straf die je verdient,
maar vernietigen zal ik je niet.

12 Dit zegt de HEER:
Ongeneeslijk zijn je wonden,
niet te helen is je letsel.
13 Geen mens verzorgt je zweren,
je wonden groeien nooit meer dicht.
14 Je minnaars zijn je vergeten,
ze kijken niet meer naar je om.
Ik was het die je sloeg, als een vijand,
ik heb je meedogenloos gestraft,
om je vele wandaden,
om je talloze zonden.
15 Wat klaag je nu over je letsel,
je dodelijke wonden?
Om je vele wandaden,
om je talloze zonden
heb ik je dit aangedaan.
16 Maar wie jou verslonden, worden zelf verslonden,
al je vijanden gaan zelf in ballingschap.
Elk volk dat jou plunderde, wordt zelf geplunderd,
ik maak ieder die naar buit zocht, zelf tot buit.
17 Weet dat ik je zal genezen,
ik zal je wonden helen – spreekt de HEER
ook al noemt men je Verworpene en zegt men:
“Naar Sion kijken we niet meer om.”

18 Dit zegt de HEER:
Ik keer het lot van Jakobs tenten ten goede,
ik zal me om zijn woningen bekommeren.
De steden zullen uit de as herrijzen,
paleizen worden in hun oude pracht hersteld.
19 Dansend komen de mensen naar buiten,
met een lofzang op de lippen.
Ik doe het volk in aantal toenemen,
het neemt niet meer in aantal af.
Ik geef het aanzien,
het wordt niet langer veracht.
20 Het volk wordt weer als vroeger
en houdt door mijn bescherming altijd stand.
Wie het bedreigt, zal ik straffen.
21 Het zal een vorst voortbrengen,
er komt een heerser uit zijn midden voort.
Ik zal hem toestaan mij te naderen.
Wie zou dat zelf wagen? – spreekt de HEER.
22 Jullie zullen mijn volk zijn,
en ik zal jullie God zijn.
23 De HEER zendt een woedende wind,
een razende storm treft de verdorvenen.
24 Zijn brandende toorn komt niet tot bedaren
voor hij zijn plan geheel heeft uitgevoerd.
Eens zullen jullie dat ten volle begrijpen.
[31] 1 Dan zal ik voor elke stam van Israël een God zijn,
dan is Israël mijn volk – spreekt de HEER.

2 Dit zegt de HEER:
In de woestijn kreeg ik Israël lief,
het volk dat aan vernietiging ontkomen was.
Ik ging hun voor en gaf hun vrede.
3 Van ver ben ik naar je toe gekomen, (31:3) ben ik naar je toe gekomen
– Voorgestelde lezing. MT: ‘is de naar mij toe gekomen’.
vrouwe Israël.

Ik heb je altijd liefgehad,
mijn liefde zal je altijd vergezellen.
4 Ik breng je weer tot bloei.
Je zult weer dansen in de rei
en de tamboerijnen laten klinken.
5 In Samaria’s bergen zul je wijngaarden planten,
en mogen eten van de eerste vruchten.
6 De dag breekt aan
dat in Efraïm de wachters op de bergen roepen:
“Kom, laten we op weg gaan naar de Sion,
naar de HEER, onze God!”

7 Dit zegt de HEER:
Juich van vreugde over Jakob,
jubel aan het hoofd van alle volken,
roep het uit, zing een lofzang:
“De HEER heeft zijn volk gered, (31:7) De HEER heeft zijn volk gered
– Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘, red uw volk’.

en wat er van Israël nog overbleef bevrijd.”
8 Ik laat hen uit het noorden terugkeren
en breng hen samen van de einden der aarde.
Ook blinden en lammen komen mee,
ook zwangere vrouwen, en vrouwen in barensnood.
In dichte drommen keren ze terug.
9 Zij komen terug in tranen,
ze heffen smeekbeden aan,
en ik zal hen leiden.
Ik breng hen naar stromende beken
en voer hen over geëffende wegen;
daar kunnen zij niet struikelen.
Want ik ben voor Israël een vader,
en Efraïm is mijn eerstgeboren zoon.

10 Volken, luister naar de woorden van de HEER,
vertel het verder op de verste eilanden:
Hij die Israël verstrooid heeft,
zal het samenbrengen en het hoeden,
zoals een herder zijn kudde.
11 Want de HEER verlost het volk van Jakob,
hij bevrijdt hen uit de hand die sterker was dan zij.
12 Zij komen juichend naar de Sion,
stralend van vreugde om de gaven van de HEER:
koren, wijn, olijfolie,
en geiten, schapen, koeien.
Zij gedijen als een waterrijke hof,
nooit meer zal het hun aan iets ontbreken.
13 Meisjes dansen vrolijk in de rei,
jongens en grijsaards dansen mee.
Hun rouw verander ik in vreugde, ik troost hen,
hun verdriet vergeten zij.
14 De priesters schenk ik overvloedig offervlees.
Ik overstelp mijn volk met al het goede
– spreekt de HEER.

15 Dit zegt de HEER:
In Rama hoort men klagen, bitter treuren.
Rachel beweent haar zonen,
zij wil niet worden getroost.
Haar kinderen zijn er niet meer.
16 Maar dit zegt de HEER:
Huil niet langer, droog je tranen.
Je zorg voor hen wordt nu beloond
– spreekt de HEER.
Ze keren terug uit het land van de vijand.
17 Je hebt een hoopvolle toekomst,
je kinderen keren naar hun eigen land terug
– spreekt de HEER.

18 Ik heb wel gehoord hoe Efraïm treurt:
“U hebt mij geslagen als een jonge os
die nog niet is afgericht.
Breng mij bij u terug, laat mij terugkeren,
want u, HEER, bent mijn God.
19 Ik ben tot inkeer gekomen,
ik sla mijzelf nu ik mijn hart doorzie.
Ik ben vol berouw, ik schaam mij diep,
ga gebukt onder de zonden van mijn jeugd.”
20 Is Efraïm niet mijn geliefde zoon,
is hij niet mijn oogappel?
Telkens als ik over hem spreek
rijst zijn beeld in mij op,
dan raak ik diep bewogen.
Ik móet mij over hem ontfermen
– spreekt de HEER.

21 Zet mijlpalen neer,
plaats bakens,
richt je aandacht op de weg die je volgt.
Keer terug, vrouwe Israël,
keer terug naar je steden.
22 Hoe lang nog blijf je talmen,
hoe lang nog blijf je eigenzinnig, vrouwe Israël?
De HEER zal iets nieuws op aarde scheppen:
een vrouw maakt een man het hof.

23 Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik zal hun lot ten goede keren, en dan zal in de steden van Juda, in het hele land, opnieuw te horen zijn: “Moge de HEER je zegenen, Jeruzalem, woonplaats van gerechtigheid, heilige berg!” 24 Stedelingen, boeren en herders zullen weer in Juda wonen. 25 Wie dorstig zijn, zal ik verkwikken; wie uitgeput zijn, geef ik kracht.’


26 Hierop ontwaakte ik en sloeg mijn ogen op. De slaap had mij goedgedaan.


27 ‘De dag zal komen – spreekt de HEER – dat ik Israël en Juda zal inzaaien met mensen en met dieren. 28 Zoals ik niet aarzelde om hen uit te rukken en te verwoesten, af te breken, kwaad te doen en te vernietigen, zo zal ik niet aarzelen om hen te planten en op te bouwen – spreekt de HEER. 29 Dan zal men niet meer zeggen: “Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden,” 30 maar zal wie zondigt om zijn eigen zonden sterven. Wanneer iemand onrijpe druiven eet, zullen zijn eigen tanden stroef worden.

31 De dag zal komen – spreekt de HEER – dat ik met het volk van Israël en het volk van Juda een nieuw verbond sluit, 32 een ander verbond dan ik met hun voorouders sloot toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Zij hebben dat verbond verbroken, hoewel ze mij toebehoorden – spreekt de HEER. 33 Maar dit is het verbond dat ik in de toekomst met Israël zal sluiten – spreekt de HEER: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk. 34 Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden: “Leer de HEER kennen,” want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al – spreekt de HEER. Ik zal hun zonden vergeven en nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan.


35 Dit zegt de HEER,
die de zon heeft gemaakt als het licht voor de dag,
de maan en sterren als de lichten voor de nacht,
die de zee opzweept, zodat de golven bruisen,
wiens naam is HEER van de hemelse machten:
36 Pas als deze orde ophoudt te bestaan
– spreekt de HEER
bestaat ook Israël niet meer,
is het niet meer voor altijd mijn volk.
37 Dit zegt de HEER:
Zoals de hoogte van de hemel niet gemeten wordt,
de diepte van het fundament der aarde niet gepeild,
zo verwerp ik niet het nageslacht van Israël
om alles wat het heeft misdaan
– spreekt de HEER.

38 De dag zal komen – spreekt de HEER – dat Jeruzalem wordt herbouwd en aan mij wordt gewijd. Dan loopt de muur weer vanaf de Chananeltoren tot aan de Hoekpoort, 39 en vanaf dat punt zal hij worden verlengd naar de Gareb, en dan een bocht naar Goa maken. 40 Hij zal om de vallei lopen waar de doden worden begraven en de as wordt uitgestrooid, en verder om alle akkers tot aan het Kidrondal. Van daar loopt hij naar de hoek van de Paardenpoort in het oosten. Heel dit gebied zal aan de HEER zijn gewijd, en Jeruzalem zal nooit meer worden afgebroken en verwoest.’

index boek
vorige
volgende



Wim Scheltens (1953)
uit Lunteren
Predikant
Een mooie gedachte om zo de bijbel met verschillende stemmen te laten klinken. Ik doe er graag aan mee!
PERIKOOP PRINTEN