index boek
vorige
volgende
 
 

Ezechiël 29:1-32:32
Profetie tegen Egypte

[29] 1 Op de twaalfde dag van de tiende maand in het tiende jaar richtte de HEER zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, richt je blik op de farao, de koning van Egypte, en profeteer tegen hem en tegen heel Egypte. 3 Zeg: “Dit zegt God, de HEER:

Farao, ik keer me tegen je,
jij, koning van Egypte,
jij, grote krokodil die daar ligt
in de waterstromen van de Nijl,
jij die zegt: ‘De Nijl is van mij,
ik heb hem voor mijzelf gemaakt.’
4 Ik zal haken door je kaak slaan
en de vissen van de Nijl aan je schubben laten kleven.
Ik haal je omhoog uit je waterstromen,
en alle vissen van de Nijl zullen aan je schubben kleven.
5 Dan zal ik je neersmijten in de woestijn,
met alle vissen uit je waterstromen
val je in het zand,
onaangeroerd en onbegraven.
Ik geef je als voedsel
aan de dieren van het land
en aan de vogels van de hemel.
6 Alle inwoners van Egypte zullen weten
dat ik de HEER ben.
Want voor het volk van Israël
was jij, Egypte, als een rieten stok.
7 Als zij je met hun hand vastgrepen, knakte je
en sneed je hun hele schouder open.
Als zij op je leunden, brak je
en raakten hun lendenen verlamd.

8 Daarom, zegt God, de HEER: Ik stuur een zwaard op je af dat mens en dier zal uitroeien. 9 Egypte zal een woestenij vol puin worden. Ze zullen weten dat ik de HEER ben, omdat hun koning heeft gezegd: ‘Van mij is de Nijl, ik heb hem gemaakt.’ 10 Daarom keer ik me tegen jou en je waterstromen, en maak ik van Egypte een land van ruïnes, een dorre woestenij, van Migdol tot Syene, tot aan de grens met Nubië. 11 Geen mens of dier zal er nog een voet zetten, en het land zal veertig jaar onbewoond blijven. 12 Ik zal van Egypte een woestenij maken te midden van verwoeste landen, en ook de steden zullen er verlaten bij liggen, te midden van een woestenij van steden, veertig jaar lang. En ik zal de Egyptenaren verdrijven naar verre landen en hen verspreiden onder vreemde volken.
13 Maar ook zegt God, de HEER: Als die veertig jaar voorbij zijn, zal ik de Egyptenaren weer samenbrengen vanuit de landen waarheen ze verdreven zijn. 14 Ik zal hun lot ten goede keren en hen terugbrengen naar Patros, het land van hun oorsprong. Daar zullen ze een onbeduidend koninkrijk vormen. 15 Het zal het minste van alle koninkrijken zijn en zich nooit meer boven de andere volken verheffen; ik zal een klein volk van hen maken dat niet meer over andere volken heersen zal. 16 Het volk van Israël zal niet langer vertrouwen in hen stellen, het zal niet opnieuw schuld op zich laden door zich op hen te verlaten – en ze zullen weten dat ik God, de HEER, ben.”’


17 Op de eerste dag van de eerste maand in het zevenentwintigste jaar richtte de HEER zich tot mij: 18 ‘Mensenkind, Nebukadnessar, de koning van Babylonië, heeft zijn leger afgebeuld in de strijd tegen Tyrus. De hoofden van zijn mannen zijn kaalgeschuurd en hun schouders zijn ontveld. Maar al die strijd tegen Tyrus heeft hem en zijn leger niets goeds gebracht.

19 Daarom – zegt God, de HEER: Ik zal Nebukadnessar Egypte geven. Hij zal de bevolking wegvoeren, hij zal buit behalen en het land plunderen; zo zal zijn leger worden beloond. 20 Als loon voor zijn moeite zal ik hem Egypte geven, als beloning voor wat hij en zijn leger voor mij gedaan hebben – zo spreekt God, de HEER. 21 Op die dag zal ik Israël nieuwe kracht geven, en jij zult weer met de Israëlieten kunnen spreken. Dan zullen zij beseffen dat ik de HEER ben.’


[30] 1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, profeteer, zeg: “Dit zegt God, de HEER:

Barst uit in gejammer!
O, angstwekkende dag!
3 Nabij is de dag,
nabij is de dag van de HEER!
Een dag van wolken zal het zijn,
de dag van het oordeel over de volken.
4 In Egypte zal een zwaard rondwaren,
Nubië siddert van angst
wanneer in Egypte de doden vallen.
Het volk wordt weggesleept,
de muren worden neergehaald.
5 Nubiërs, Libiërs en Lydiërs,
huurlingen en Kubieten,
mannen uit een land van bondgenoten:
zij allen worden door het zwaard geveld.

6 Dit zegt de HEER: Wie Egypte steunt zal vallen, en de kracht waarop dat land zich beroemt zal verschrompelen: van Migdol tot Syene vallen er doden door het zwaard – spreekt God, de HEER. 7 Egypte wordt een woestenij te midden van verwoeste landen, en zijn steden zullen tot ruïnes vervallen, als zoveel andere steden. 8 Wanneer ik Egypte in vlammen doe opgaan en al zijn bondgenoten vernietig, zullen ze weten dat ik de HEER ben. 9 Op die dag zal ik boden per schip naar het onbezorgde Nubië sturen en het doen beven; sidderen zal het op de dag dat Egypte getroffen wordt – en die dag komt!
10 Dit zegt God, de HEER: Ik zal de bevolking van Egypte laten uitroeien door koning Nebukadnessar van Babylonië. 11 Hij en zijn krijgsvolk, het wreedste ter wereld, laat ik komen om het land te verwoesten. Zij zullen ten strijde trekken tegen Egypte en het land zal met lijken bezaaid zijn. 12 De Nijl leg ik droog en het land lever ik over aan barbaren; het land met al zijn rijkdom laat ik door vreemde volken verwoesten – ik, de HEER, heb gesproken.

13 Dit zegt God, de HEER: Alle afgoden zal ik vernietigen, de nietswaardige goden van Memfis laat ik verdwijnen, Egypte zal zonder vorst zijn. Er zal angst heersen in het hele land. 14 Patros zal ik verwoesten, Soan aan de vlammen prijsgeven en Thebe straffen. 15 Over Pelusium, de vesting die de grens van Egypte beschermt, zal ik mijn toorn uitstorten, en de bevolking van Thebe roei ik uit. 16 Ik zal Egypte aan de vlammen prijsgeven, Pelusium zal sidderen van angst, Thebe zal worden opengereten en Memfis wordt op klaarlichte dag door de vijand ingenomen. 17 De jonge mannen van Heliopolis (30:17) Heliopolis
– Volgens de Septuaginta. MT: ‘verderf’.
en Bubastis zullen vallen door het zwaard, en de bevolking zal in ballingschap worden weggevoerd. 18 In Dafne wordt het niet meer licht, want daar breek ik het juk van Egypte, daar komt een einde aan zijn trotse kracht. Wolken zullen het land bedekken, en de bevolking zal in ballingschap gaan. 19 Ik zal Egypte straffen, het zal weten dat ik de HEER ben.”’



20 Op de zevende dag van de eerste maand in het elfde jaar richtte de HEER zich tot mij. Hij zei: 21 ‘Mensenkind, ik zal de arm van de farao, de koning van Egypte, breken. Niemand zal die arm verbinden om hem te laten genezen, niemand legt om die arm een verband waardoor hij weer sterk genoeg wordt om het zwaard te hanteren. 22 Daarom, zegt God, de HEER: Ik zal optreden tegen de farao, de koning van Egypte; ik zal zijn armen breken, de gezonde en de gebroken arm, en ik zal hem het zwaard uit handen slaan. 23 Ik zal de Egyptenaren verdrijven naar verre landen en hen verspreiden onder vreemde volken. 24 Ik zal de armen van de koning van Babylonië sterk maken en hem mijn zwaard in handen geven, ik zal de armen van de farao breken en hij zal voor de ogen van de koning kermen als een dodelijk gewonde man. 25 De armen van de koning van Babylonië zal ik sterk maken, en de armen van de farao zullen slap langs zijn lichaam hangen. Als ik mijn zwaard in de hand van de koning van Babylonië leg en hij het daarna uitstrekt tegen Egypte, zal iedereen weten dat ik de HEER ben. 26 Ik zal de Egyptenaren naar verre landen verdrijven en hen onder vreemde volken verspreiden – ze zullen weten dat ik de HEER ben.’


[31] 1 Op de eerste dag van de derde maand in het elfde jaar richtte de HEER zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, zeg tegen de farao, de koning van Egypte, en tegen zijn volk: “Wie is er zo groot als jij?

3 Ooit was er een cipres, een ceder van de Libanon, (31:3) Ooit was er een cipres, een ceder van de Libanon
– Ook mogelijk is de vertaling: ‘Ooit was Assyrië een ceder van de Libanon’.

met mooie takken, als een woud dat schaduw geeft,
duizelingwekkend hoog, zijn kruin raakte de wolken.
4 Water deed hem groeien, de oervloed maakte hem groot:
rivieren stroomden waar de ceder was geplant,
vanuit de oervloed vloeide het water naar alle bomen van de aarde.
5 Zo werd hij de hoogste van alle bomen,
zo kreeg hij brede takken en lange twijgen,
door al het water uit de diepte.
6 In zijn takken nestelden de vogels van de hemel,
onder zijn twijgen wierpen de wilde dieren hun jongen,
en in zijn schaduw woonden vele volken.
7 Groot was hij en mooi, met zijn lange takken,
want hij had zijn wortels in veel water.
8 Zelfs in de tuin van God was er geen ceder als hij,
geen cipres met zulke takken,
geen plataan met zulke twijgen,
in de tuin van God was er geen boom zo mooi als hij.
9 Ik had hem zo mooi gemaakt met zijn brede takken,
en alle bomen van Eden benijdden hem,
alle bomen in de tuin van God.

10 Daarom, zegt God, de HEER: Omdat hij zo hoog geworden was dat zijn kruin de wolken raakte en omdat hij zich hooghartig verhief, 11 leverde ik hem uit aan de machtigste heerser van de wereld, die hem voor zijn goddeloosheid liet boeten. Ik verstootte hem. 12 Vreemde volken, de wreedste ter wereld, hakten hem om en smeten hem neer op de bergen, zijn takken vielen in de dalen, zijn twijgen werden gebroken en vulden de beddingen van de rivieren. Alle volken van de aarde trokken weg uit zijn schaduw en lieten hem liggen. 13 De vogels van de hemel streken neer op zijn gevallen stam, en in zijn takken huisden de dieren van het veld. 14 Geen boom, al heeft hij zijn wortels in het water, zal ooit nog zo hoog worden, geen kruin zal ooit nog de wolken raken. Geen boom zal zich meer boven de andere verheffen. Ze worden allemaal aan de dood prijsgegeven, ze verdwijnen in de onderwereld, waar ook de mensen zijn die in het graf zijn afgedaald.
15 Dit zegt God, de HEER: Op de dag dat hij in het dodenrijk afdaalde bedekte ik de oervloed met een rouwkleed, ik hield de rivieren tegen en het vele water hield op te stromen. Om hem verduisterde ik de Libanon, om hem versmachtten alle bomen op aarde van dorst. 16 Toen ik hem in het dodenrijk liet afdalen naar hen die zich al in het graf bevinden, beefden alle volken bij het geluid van zijn val. Maar in de onderwereld voelden de bomen van Eden zich getroost, de mooiste van de Libanon, alle waterdrinkers. 17 Ook zij waren naar het dodenrijk afgedaald, naar hen die door het zwaard waren geveld: zijn bondgenoten, alle volken die in zijn schaduw hadden gewoond.

18 Wie is er aan jou gelijk, wie van de bomen in Eden is zo mooi en zo groot als jij? En toch word jij geveld, net als de bomen van Eden, en naar de onderwereld gebracht; daar zul je liggen te midden van de onbesnedenen, naast hen die door het zwaard zijn gevallen. Zo zal het de farao en heel zijn volk vergaan – spreekt God, de HEER.”’


[32] 1 Op de eerste dag van de twaalfde maand in het twaalfde jaar richtte de HEER zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, hef een klaaglied aan over de farao, de koning van Egypte, en zing:

“Je waande je een leeuw onder de volken,
je was als een krokodil in de zeeën.
Water spoot uit je neusgaten, (32:2) Water spoot uit je neusgaten
– Voorgestelde lezing. MT: ‘Je sproeide met je stromen’.

met je poten maakte je het water troebel,
de waterstromen donker.”

3 Dit zegt God, de HEER: Ik zal mijn vangnet over je uitspreiden; vele volken zullen samenstromen en je ophalen in mijn sleepnet. 4 Daarna gooi ik je neer op de grond, ik laat je achter in het open veld; alle vogels van de hemel strijken op je neer en de wilde dieren van heel de aarde doen zich aan je te goed. 5 Je vlees laat ik achter op de bergen, en de dalen vul ik met je botten. 6 De aarde zal ik doordrenken met het bloed dat van de bergen stroomt, de beddingen van de rivieren zullen ervan overlopen. 7 Als jouw licht gedoofd wordt, zal ik de hemel bedekken en de sterren verduisteren; wolken zullen voor de zon komen en het maanlicht zal niet langer schijnen. 8 Alle lichten die boven je aan de hemel stralen zal ik verduisteren, het zal donker zijn in je land – zo spreekt God, de HEER.
9 Vele volken zullen ontzet zijn als ik je gebroken volk onder vreemde volken verspreid en naar landen breng die jij niet kent. 10 Vele volken zullen huiveren over je lot, en als ik mijn zwaard voor hun ogen heen en weer zwaai zullen hun koningen beven van angst om wat jou overkomt. Op de dag van je val zal iedereen onophoudelijk voor zijn leven vrezen. 11 Want dit zegt God, de HEER:

Het zwaard van de koning van Babylonië zal je treffen!
12 Je volk zal ik treffen met het zwaard van helden,
helden uit het wreedste volk ter wereld.
Zij zullen alles verwoesten waar Egypte trots op is:
het hele volk wordt uitgeroeid
13 en langs de grote rivier
zal ik al het vee vernietigen;
geen voet zal het water nog troebel maken,
geen hoef maakt het ooit nog vuil.
14 Daarna zal ik het water tot rust laten komen,
het zal stromen als olie –
spreekt God, de HEER.
15 Als ik van Egypte een woestenij heb gemaakt,
als het land met heel zijn rijkdom is verwoest,
als ik allen die er wonen heb gedood,
dan zullen ze weten dat ik de HEER ben.

16 Dit is een klaaglied, het zal worden gezongen, vrouwen van vreemde volken zullen het zingen, ze zullen het zingen over Egypte en alle Egyptenaren – zo spreekt God, de HEER.’

17 Op de vijftiende dag van die maand, in het twaalfde jaar, richtte de HEER zich tot mij. Hij zei: 18 ‘Mensenkind, zing over het volk van Egypte, weeklaag met de vrouwen van machtige volken, en begeleid Egypte naar de onderwereld, naar hen die al in het graf zijn afgedaald.

19 “Ben jij soms beter dan anderen?
Daal af, laat je neerleggen tussen de onbesnedenen.
20 Je volk zal er liggen te midden van de gesneuvelden.”

Egypte is overgeleverd aan het zwaard. Sleep het weg met al zijn vazallen! 21 In het dodenrijk zeggen de dapperste helden over de farao en zijn helpers: “Ze zijn afgedaald en nu liggen ze daar, de onbesnedenen, ze zijn gesneuveld.”
22 Daar ligt het volk van Assyrië, hun graven omgeven de koning, allemaal zijn ze gesneuveld, gevallen door het zwaard. 23 Zijn graf is te vinden in het diepst van de onderwereld, en zijn volk ligt rondom hem begraven – ooit zaaiden zij angst in het land van de levenden, nu zijn ze allen gesneuveld, gevallen door het zwaard.

24 Daar ligt Elam, met heel het volk rondom het graf van de koning, allemaal zijn ze gesneuveld, gevallen door het zwaard. Als onbesnedenen zijn ze afgedaald naar de onderwereld – eens zaaiden ze angst in het land van de levenden, nu moeten ze hun schande dragen met degenen die in het graf zijn afgedaald. 25 Te midden van de gesneuvelden hebben zij een rustplaats gekregen, de koning en heel zijn volk: hun graven bevinden zich rondom. Het zijn allemaal onbesnedenen die zijn gesneuveld – eens zaaiden ze angst in het land van de levenden, en nu moeten ze hun schande dragen met degenen die in het graf zijn afgedaald, te midden van de gesneuvelden.

26 Daar ligt het volk van Mesech-Tubal, hun graven omgeven de koning. Het zijn allemaal onbesnedenen die gesneuveld zijn – eens zaaiden ze angst in het land van de levenden. 27 Ze liggen niet bij de helden uit het verre verleden (32:27) uit het verre verleden
– Volgens de Septuaginta. MT: ‘uit de onbesnedenen’.
die met wapenrusting en al naar het dodenrijk zijn afgedaald. Ook zij zaaiden angst in het land van de levenden, en nu ligt hun zwaard onder hun hoofd en kleven hun zonden aan hun botten.


28 Ook jij zult gebroken neerliggen te midden van de onbesnedenen, bij de gesneuvelden.

29 Daar ligt Edom, met zijn koningen en vorsten, die, hoe sterk ze ook waren, naast de gesneuvelden zijn neergelegd. Nu liggen ze bij de onbesnedenen, bij hen die in het graf zijn afgedaald.

30 En daar liggen alle heersers van het noorden, en alle Sidoniërs: ze zijn, hoe sterk en gevreesd ze ook waren, afgedaald naar de gesneuvelden. Ze zijn onteerd, ze liggen als onbesnedenen bij de gesneuvelden, en ze moeten nu hun schande dragen met hen die in het graf zijn afgedaald.

31 Wanneer de farao hen ziet, zal dat hem troost geven voor het verlies van zijn hele volk. Ook de farao en heel zijn leger zullen sneuvelen – spreekt God, de HEER. 32 Het land van de levenden heb ik vervuld van angst voor de farao, maar nu komt hij met zijn volk te liggen te midden van de onbesnedenen en de gesneuvelden – zo spreekt God, de HEER.’

index boek
vorige
volgende



Hannie Oosterhuis (1951)
uit Ede
PERIKOOP PRINTEN