|
|

 
|
|
| |

Amos 1:3-6:14
Het vonnis van de HEER

3 Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Damascus begaan: ze hebben een spoor van verwoesting getrokken door Gilead. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 4 Ik zal het paleis van Hazaël in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Benhadad verteren. 5 Ik zal de poorten van Damascus openbeuken, de koning van Bikat-Awen zal ik ombrengen, en ook de heerser van Bet-Eden breng ik om. Het volk van Aram gaat in ballingschap naar Kir – zegt de HEER.
6 Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Gaza begaan: ze hebben een heel volk in ballingschap gedreven en uitgeleverd aan Edom. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 7 Ik zal de muren van Gaza in vlammen doen opgaan; vuur zal zijn burchten verteren. 8 De koning van Asdod zal ik ombrengen, en ook de heerser van Askelon breng ik om. Ik zal mij tegen Ekron keren, tot de laatste man zullen de Filistijnen te gronde gaan – zegt God, de HEER.
9 Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Tyrus begaan: ze hebben een heel volk als ballingen uitgeleverd aan Edom en zich niet gehouden aan het verdrag met hun broeders. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 10 Ik zal de muren van Tyrus in vlammen doen opgaan; vuur zal zijn burchten verteren.
11 Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Edom begaan: ze hebben hun broeders met het zwaard achtervolgd, zonder enig medelijden. Hun woede was onverzadigbaar, ontembaar hun razernij. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 12 Ik zal Teman in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Bosra verteren.
13 Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Ammon begaan: ze hebben, toen ze hun gebied wilden vergroten, de zwangere vrouwen van Gilead de buik opengereten. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 14 Ik zal de muren van Rabba in vlammen doen opgaan; vuur zal zijn burchten verteren. Op die dag van strijd klinkt er krijgsgeschreeuw en zal het stormen als in een orkaan. 15 Hun koning gaat in ballingschap, en de leiders van zijn rijk met hem – zegt de HEER.
[2] 1 Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Moab begaan: ze hebben de beenderen van de koning van Edom verbrand om er kalk van te maken. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 2 Ik zal Moab in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Keriot verteren. Moab zal sterven onder oorlogsgeraas en krijgsgeschreeuw en onder de dreigende klanken van de ramshoorn. 3 Hun vorst breng ik om, en met hem zal ik alle andere leiders van dat rijk doden – zegt de HEER.
4 Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Juda begaan: ze hebben de wetten van de HEER verworpen en zich niet gehouden aan zijn geboden; de valse goden waar hun voorouders al achteraan liepen, hebben ook hen doen dwalen. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 5 Ik zal Juda in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Jeruzalem verteren.
6 Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Israël begaan – daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen! Ze verkopen de rechtvaardigen voor zilver en de armen voor een paar sandalen. 7 Ze zijn eropuit de zwakken in het stof te laten kruipen, en de machtelozen dringen ze opzij. Een zoon en zijn vader komen bij hetzelfde meisje en maken zo mijn heilige naam te schande. 8 Ze strekken zich naast de altaren uit op kleren die ze in onderpand hebben, en in het huis van hun God drinken ze wijn die als boete was ontvangen.
9 En toch heb ik ter wille van jullie de Amorieten uitgeroeid, die zo groot waren als ceders en zo sterk als eiken: met wortel en tak roeide ik ze uit. 10 Ik heb jullie uit Egypte weggeleid, ik heb jullie veertig jaar lang door de woestijn gevoerd, opdat jullie het land van de Amorieten in bezit konden nemen. 11 Sommigen van jullie maakte ik profeet, anderen nazireeër – zo is het toch, Israëlieten? – spreekt de HEER. 12 Maar jullie gaven de nazireeërs wijn te drinken, en tegen de profeten hebben jullie gezegd: ‘Jullie mogen niet profeteren.’
13 Daarom zal ik de grond onder jullie voeten doen kraken, zoals een kar vol schoven kraakt in zijn voegen. 14 De snelste man vlucht dan tevergeefs, de sterke heeft niets aan zijn kracht, de krijgsheld redt zijn leven niet, 15 geen boogschutter houdt stand, geen hardloper ontkomt, geen ruiter brengt het er levend af, 16 zelfs de dapperste held zal naakt moeten vluchten die dag – spreekt de HEER.
[3] 1 Luister naar de woorden die de HEER tot jullie spreekt, Israëlieten, tot heel het volk dat hij weggeleid heeft uit Egypte: 2 Uit alle volken op aarde heb ik alleen jullie uitgekozen, en daarom zal ik jullie voor al je wandaden straffen.
3 Gaan er ooit twee samen op weg zonder bij elkaar te zijn gekomen? 4 Brult ooit een leeuw in het struikgewas als hij geen prooi heeft? Gromt ooit een leeuw in zijn hol zonder iets te hebben gevangen? 5 Duikt ooit een vogel in een klapnet neer als het aas ontbreekt? Slaat ooit een klapnet dicht zonder dat er iets te vangen is? 6 Klinkt ooit in een stad de ramshoorn zonder dat haar inwoners bang worden? En geschiedt er ooit onheil in een stad zonder toedoen van de HEER? 7 Zo doet God, de HEER, niets zonder dat hij zijn plan heeft onthuld aan zijn dienaren, de profeten. 8 Een leeuw heeft gebruld – wie zou er niet vrezen? God, de HEER, heeft gesproken – wie zou er niet profeteren?
9 Dit moeten jullie bekendmaken in de burchten van Asdod en in de burchten van Egypte: ‘Kom naar de bergen rond Samaria om te zien hoe groot de verwarring in die stad is, hoe hevig de onderdrukking! 10 Tot rechtvaardigheid zijn ze daar niet in staat – spreekt de HEER -, zij die hun burchten vullen met onderdrukking en geweld.’ 11 Daarom, Samaria, zal je land door de vijand worden omsingeld, zullen je vestingwerken worden neergehaald en je burchten worden geplunderd – zegt God, de HEER.
12 Dit zegt de HEER: Zoals een herder uit de muil van een leeuw niet meer dan een paar botten weet te redden of een stukje oor, zo zal er ook niemand worden gered van de Israëlieten, die in Samaria maar op hun bedden hangen en achterover leunen op hun divans.
13 Luister naar deze woorden en waarschuw de nakomelingen van Jakob – spreekt God, de HEER, de God van de hemelse machten: 14 De dag komt dat ik Israël voor zijn misdaden zal straffen. Mijn straf zal dan de altaren van Betel treffen, de horens van de altaren zullen afgehakt worden en op de grond vallen. 15 Dan zal ik de winterverblijven en de zomerverblijven verwoesten, de ivoren paleizen zullen verloren gaan, en vele huizen zullen worden vernietigd – spreekt de HEER.
[4] 1 Vrouwen, luister naar deze woorden! Jullie zijn als vette koeien die de berg van Samaria kaalgrazen: jullie onderdrukken de zwakken, mishandelen de armen en zeggen tegen je man: ‘Breng ons iets te drinken!’ 2 God, de HEER, zweert bij zijn heiligheid: Weet dat de dagen niet ver zijn dat jullie als vissen met hengels worden opgehaald, en wie er dan nog overblijven met haken. 3 Eén voor één worden jullie door de bressen in de stadsmuur naar buiten gedreven en naar Harmon weggeslingerd – spreekt de HEER.
4 Kom naar Betel en zondig er maar, kom naar Gilgal en zondig daar nog meer. Breng er ’s ochtends je offerdieren, de volgende dag je tienden. 5 Breng er een dankoffer met gedesemd brood, en beroem je op je vrijwillige gaven – want zo willen jullie het toch, Israëlieten? – spreekt God, de HEER. 6 Ik was het die jullie in elke stad honger liet lijden en maakte dat er in geen enkel dorp brood was: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 7 Ik was het die jullie de regens onthield, drie maanden voor de oogst. Op de ene stad liet ik het regenen, op de andere liet ik het niet regenen; op het ene veld regende het, en het veld waarop het niet regende verdorde. 8 Twee, drie steden wankelden naar een andere stad om water te drinken, en hun dorst werd niet gelest: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 9 Ik trof jullie met korenbrand en meeldauw; sprinkhanen vraten je tuinen en wijngaarden kaal, en alle vijgen en olijven: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 10 Ik stuurde de pest op jullie af, zoals ik die ooit op Egypte afstuurde; ik doodde je soldaten en je buitgemaakte paarden, zodat jullie de stank van je eigen legerkamp roken: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 11 Ik vernietigde jullie, zoals ik Sodom en Gomorra vernietigd heb; jullie werden als een stuk zwartgeblakerd hout dat uit de vlammen is weggerukt: maar jullie zijn niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. 12 Daarom zal ik tegen je optreden, Israël. Maak je gereed voor de komst van je God, Israël, want ik ben het die tegen je zal optreden.
13 De schepper van de bergen en de wind, hij die de mens zijn plan onthult, hij die de dageraad verduistert, hij die over de bergtoppen schrijdt – zijn naam is HEER, God van de hemelse machten.
[5] 1 Luister naar mijn woorden, Israël, luister naar mijn klaaglied over jullie:
2 Ze is gevallen, vrouwe Israël, ze zal niet meer opstaan, verlaten ligt ze op haar land, en er is niemand die haar opricht.
3 Dit zegt God, de HEER, over Israël: De stad die met duizend man ten strijde trekt houdt er maar honderd over; de stad die met honderd man ten strijde trekt maar tien. 4 Dit zegt de HEER tegen Israël: Zoek mij en leef! 5 Ga niet naar Betel, kom niet in Gilgal, trek niet naar Berseba; Gilgal gaat in ballingschap en Betel wordt een plaats van onheil. 6 Zoek de HEER en leef. Anders zal hij als een vuur woeden in het land van Jozef, de vlammen zullen Betel verteren, en er zal niemand zijn om te blussen. 7 Want jullie veranderen het recht in alsem en vertrappen de gerechtigheid.
8 De maker van de Plejaden en van Orion, hij die de diepe duisternis in morgenlicht verandert en de dag tot nacht verduistert, hij die het water van de zee bijeenroept en het uitstort over de aarde – zijn naam is HEER. 9 Met zijn verwoestende bliksem treft hij de sterken, hun vestingen worden vernietigd.
10 Jullie verachten hen die in de poort het recht verdedigen, jullie verafschuwen hen die de waarheid spreken. 11 Jullie vertrappen de zwakken en eisen een deel van hun graan op. Daarom: huizen van steen hebben jullie gebouwd, maar je zult er niet in wonen; prachtige wijngaarden hebben jullie geplant, maar je zult er geen wijn van drinken. 12 Want ik weet hoe talrijk jullie misdaden zijn, hoe groot jullie zonden: jullie keren je tegen de onschuldigen, jullie ontvangen steekpenningen, jullie ontnemen de armen in de poort hun recht. 13 Wie verstandig is zwijgt in deze tijd, want het is een kwade tijd.
14 Zoek het goede, niet het kwade. Dan zullen jullie leven, en dan zal de HEER, de God van de hemelse machten, met jullie zijn, zoals jullie altijd zeggen. 15 Haat het kwade, heb het goede lief en zorg dat er recht gedaan wordt in de poort. Misschien zal dan de HEER, de God van de hemelse machten, genade schenken aan wie er overgebleven zijn van Jozefs volk. 16 Daarom – zegt de HEER, de God van de hemelse machten, de Heer – zal er op alle pleinen worden gerouwd, in alle straten gejammerd; boeren worden opgeroepen om te weeklagen, klaagzangers om te rouwen, 17 en ook in alle wijngaarden zal er worden gerouwd wanneer ik zelf in jullie midden rondga – zegt de HEER.
18 Wee degenen die verlangen naar de dag van de HEER! Wat zal hij jullie brengen, de dag van de HEER? Duisternis, geen licht. 19 Zoals wanneer iemand die vlucht voor een leeuw, aangevallen wordt door een beer, en dan, als hij een huis binnenvlucht en met zijn hand tegen de muur leunt, gebeten wordt door een slang. 20 De dag van de HEER zal duisternis zijn, en geen licht; aardedonker, zonder glans.
21 Ik heb een afkeer van jullie feesten, ik wijs ze af, jullie samenkomsten verdraag ik niet. 22 Ik schep geen behagen in de brand- en graanoffers die jullie mij brengen; de vetgemeste beesten van jullie vredeoffers keur ik geen blik waardig. 23 Bespaar mij het geluid van jullie liederen; de klank van jullie harpen wil ik niet horen. 24 Laat liever het recht stromen als water, en de gerechtigheid als een altijd voortvloeiende beek.
25 Israëlieten, hebben jullie mij die veertig jaar in de woestijn ooit zulke offers en gaven gebracht? 26 Nu zullen jullie de beelden die jullie zelf gemaakt hebben – je koning Sakkut en je sterrengod Kewan (5:26) je koning Sakkut en je sterrengod Kewan – Deze godennamen luiden in het Hebreeuws sikkoet en kijjoen: de klinkers i en oe zijn die van het Hebreeuwse woord voor ‘gruwel’. – met je mee moeten dragen, 27 want ik zal jullie in ballingschap voeren, tot voorbij Damascus. Dit zegt de HEER, wiens naam is: God van de hemelse machten.
[6] 1 Wee jullie, zorgelozen in Sion, argelozen op de berg van Samaria, leiders van dit uitverkoren volk, tot wie de Israëlieten zich wenden! 2 Trek naar Kalne en bekijk het goed; ga van daar naar het grote Hamat, ga dan terug naar Gat waar de Filistijnen wonen – zijn jullie sterker dan die koninkrijken of is hun gebied juist groter dan dat van jullie? 3 Wee jullie die denken dat de onheilsdag nog ver is en die zelf de heerschappij van het geweld dichterbij brengen. 4 Jullie liggen maar op je ivoren bedden, hangen op je divans, eten lammeren uit de kudde en kalveren uit de stal. 5 Luidkeels zingen jullie bij de harp, en jullie denken te spelen als David zelf. 6 Uit grote schalen drinken jullie wijn, en met de beste olie wrijven jullie je in, maar jullie lijden er niet onder dat Jozefs volk ten onder gaat. 7 Daarom gaan jullie nu als eersten in ballingschap; het gefeest en geluier is voorbij.
8 Dit zweert God, de HEER, bij zichzelf – zo spreekt de HEER, de God van de hemelse machten: Ik heb een afschuw van de hoogmoed van Jakobs volk, ik heb een afkeer van zijn burchten. Daarom zal ik Samaria en al zijn inwoners aan de vijand uitleveren, 9 en als er in een huis nog tien mensen overblijven, zullen zij sterven. 10 Als iemand dan het lichaam van zijn verwant uit dat huis wegdraagt om het te verbranden, zal hij vragen aan degene die nog binnen is: ‘Is daar bij jou nog iemand over?’ ‘Nee,’ zal deze dan zeggen, ‘maar wees toch stil, en noem de naam van de HEER niet!’ 11 De HEER hoeft immers maar een bevel te geven, of alle huizen, groot en klein, zullen tot puin worden geslagen.
12 Rennen paarden ooit over rotsen of wordt daar met runderen geploegd? En toch veranderen jullie het recht in gif, de vruchten van de gerechtigheid in alsem. 13 Jullie verheugen je over de verovering van Lo-Debar, (6:13) over de verovering van Lo-Debar – Voorgestelde lezing. MT: lelo davar, ‘over niets’. en jullie zeggen dat je op eigen kracht Karnaďm ingenomen hebt. 14 Maar ik zal een volk op jullie afsturen, Israëlieten, – spreekt de HEER, de God van de hemelse machten – dat jullie in heel het land zal onderdrukken, vanaf Lebo-Hamat tot aan de wadi Araba.
|
|
|
 |


 |
|
Sarie Talsma (1948)
uit Den Haag
Sportleidster
|
|
Omdat het woord van God in deze wereld moet blijven bestaan.
Favoriete bijbeltekst Het is mijn belijdenistekst. Romeinen 12 vers 12. Deze bijbeltekst is mij vaak tot steun geweest. Het bijbelgedeelte, Amos, dat ik voorlas tijdens de voorleesmarathon had ik nog niet eerder gelezen en eigenlijk vond ik het een onheilsstuk om te lezen en heb er nog lang over nagedacht.
Romeinen: Leef volgens de wil van God (12:1-13:14)
|
|
|
|