|
|

 
|
|
| |

Micha 6:1-7:20
De gerechtigheid van de HEER

[6] 1 Hoor toch wat de HEER zegt! Sta op, laat de bergen uw rechtsgeding horen, laat de heuvels getuige zijn. 2 Luister, bergen, naar het pleidooi van de HEER, hoor toe, onwrikbare fundamenten van de aarde. De HEER heeft een geschil met zijn volk, hij klaagt Israël aan: 3 ‘Mijn volk, wat heb ik je misdaan? Waarmee heb ik je gekweld? Antwoord mij! 4 Ik heb je weggeleid, bevrijd uit de slavernij in Egypte. Ik zond Mozes, Aäron en Mirjam om jullie voor te gaan. 5 Ben je dan vergeten, mijn volk, wat Balak besloot, de koning van Moab, wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde? Ben je vergeten wat er gebeurde tussen Sittim en Gilgal? Ken je de gerechtigheid van de HEER niet meer?’ 6 ‘Wat kan ik de HEER aanbieden, waarmee hulde brengen aan de verheven God? Moet ik hem tegemoet treden met brandoffers, zou hij eenjarige stieren aanvaarden? 7 Kan ik hem gunstig stemmen met duizenden rammen, met olie, stromend in tienduizend beken? Moet ik mijn oudste kind geven voor wat ik heb misdaan, de vrucht van mijn schoot voor mijn zondig leven?’ 8 Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God.
9 Hoor, de HEER roept tot de stad – wie wijs is heeft ontzag voor uw naam. (6:9) heeft ontzag voor uw naam – Voorgestelde lezing ondersteund door de oudste vertalingen. MT: ‘zal uw naam zien’. Hoor het striemen van de roede: wie zou er dan nog voor haar getuigen? (6:9) wie zou er dan nog voor haar getuigen – Voorgestelde lezing. MT: ‘wie heeft haar nog bestemd’. 10 Zou ik geen aandacht schenken aan de schatten (6:10) Zou ik geen aandacht schenken aan de schatten – Voorgestelde lezing. MT: ‘Zijn er schatten’. in het huis van een gewetenloos mens, schatten door onrecht verkregen, of aan die ondermaatse efa, die om vergelding schreeuwt? 11 Zou ik een onzuivere weegschaal, een buidel met valse gewichten door de vingers zien? 12 De rijken van de stad zijn een en al geweld, haar inwoners zijn bedriegers, ze hebben een leugenachtige tong. 13 Daarom ook ben ik begonnen je te slaan, (6:13) ben ik begonnen je te slaan – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘heb ik ziek gemaakt [door] je te slaan’. je te treffen vanwege je zonden. 14 Nu zul je eten maar niet verzadigd worden, en je darmen raken verstopt. Wat je opbergt kun je niet behouden, en wat je wel behoudt laat ik ten prooi vallen aan het zwaard. 15 Je zult wel zaaien maar niets oogsten, je zult olijven persen maar je niet met olie inwrijven, je zult druiven treden maar geen wijn drinken. 16 Jullie houden je graag aan de bepalingen van Omri en aan de besluiten van het huis van Achab, jullie volgen hun raad. Daarom maak ik van jullie, inwoners van de stad, een afschrikwekkend voorbeeld en een voorwerp van spot, en je zult de schande van mijn volk dragen.
[7] 1 Ongelukkige die ik ben, het is als bij de late oogst, als bij de laatste pluk: geen volle druiventros meer om te eten, geen vroege vijg meer, waarnaar ik smacht. 2 Zij die trouw waren zijn verdwenen uit het land, niemand is nog rechtschapen. Allen zijn op bloed belust, iedereen belaagt zijn naaste. 3 Ze bekwamen zich in het kwaad: alleen voor geld stellen leiders een onderzoek in, rechters spreken recht tegen betaling, hooggeplaatsten zeggen wat hun het beste uitkomt, en zo houden zij het recht op afstand. 4 De deugdzaamste van hen is als een doornstruik, de oprechtste is erger dan een stekelhaag. De dag van straf, door uw wachters aangekondigd, is gekomen, en het volk is in beroering! 5 Geloof je naaste niet, vertrouw je vriend niet, let op je woorden, ook bij wie er in je armen ligt. 6 De zoon veracht zijn vader, de dochter verzet zich tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder, en huisgenoten blijken vijanden.
7 Maar ik, ik blijf uitzien naar de HEER, ik blijf hopen op de God die mij redding zal brengen. Hij zal mij horen, mijn God.
8 Jij die me haat, maak je niet vrolijk over mij. Al ben ik gevallen, ik sta op, al is het donker om mij heen, de HEER is mijn licht. 9 De toorn van de HEER zal ik dragen – ik weet, ik heb tegen hem gezondigd – tot hij voor mij heeft gepleit, mij recht heeft verschaft. Hij zal me naar het licht voeren en ik zal zijn gerechtigheid aanschouwen. 10 Zij die me haat zal het zien en beschaamd zijn, zij die me vroeg: ‘Waar is hij dan, de HEER, je God?’ Ik zal toekijken en genieten wanneer ze als straatvuil vertrapt wordt.
11 Dat is de dag om je muren op te bouwen, de dag dat je grenzen worden verlegd. 12 Die dag zal men bij je komen, van Assyrië tot de steden van Egypte, van Egypte tot aan de Eufraat, en vanaf de zee in het westen tot aan de hoogste berg. 13 En de aarde zal worden verwoest, om haar bewoners, vanwege hun daden.
14 Weid uw volk met uw staf, uw geliefde kudde die eenzaam leeft in het woud, omringd door vruchtbaar land. Mogen ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van weleer. 15 Als in de dagen van zijn bevrijding uit Egypte laat ik dit volk wonderbaarlijke daden zien. 16 De volken zullen het zien en beschaamd staan, beroofd van hun kracht, doof en met de hand op de mond. 17 Ze zullen stof likken als een slang, als dieren die kronkelen over de grond. Sidderend zullen ze uit hun burchten komen, vol ontzag voor de HEER, onze God. Ze zullen u vrezen!
18 Wie is een God als u, die schuld vergeeft en aan zonde voorbijgaat? U blijft niet woedend op wie er van uw volk nog over zijn; liever toont u hun uw trouw. 19 Opnieuw zult u zich over ons ontfermen en al onze zonden tenietdoen. Onze zonden werpt u in de diepten van de zee. 20
|
|
|
 |


 |
|
Andries Knevel (1952)
Presentator EO
|
|
"Zelf heb ik gekozen voor het bijbelboek Micha omdat dit een boek is dat me altijd enorm heeft aangesproken, vanwege de radicaliteit van de zonde en verdorvenheid (staat dit woord nog in de NBV?) van de mens en aan de andere kant het geweldige licht van de genade van God. Indien ergens, dan zie je wel bij de Oud-Testamentische profeten, hoe groot het verschil is tussen God en mens, maar ook hoe God die mens zo ontzettend dichtbij is gekomen. Ik lees daarom met vreugde en merk dat ook in deze setting er verzen zijn die me tijdens het lezen ontroeren" aldus Andries Knevel in zijn weblog van week 44.
|
|
|
|