|
|

 
|
|
| |

Deuteronomium 32:48-34:12
Mozes’ zegen en zijn dood

48 Op diezelfde dag zei de HEER tegen Mozes: 49 ‘Ga het Abarimgebergte in en beklim de Nebo, die in Moab ligt, tegenover Jericho. Daar kun je uitkijken over Kanaän, het land dat ik de Israëlieten in bezit ga geven. 50 Op die berg zul je sterven en met je voorouders verenigd worden, zoals je broer Aäron op de Hor stierf en met zijn voorouders werd verenigd. 51 Want bij het water van Meribat-Kades, in de woestijn van Sin, kwamen jullie tegen mij in opstand; in het bijzijn van heel Israël toonden jullie geen ontzag voor mijn heiligheid. 52 Alleen van een afstand zul je het land zien dat ik hun zal geven, je zult het niet binnengaan.’
[33] 1 Dit is de zegen die Mozes, de godsman, uitsprak over de stammen van Israël, voor hij stierf. 2 Hij zei:
‘De HEER verscheen vanaf de Sinai, zijn licht bescheen hen van de Seïr, met luister kwam hij van de bergen van Paran. Talloze engelen vergezelden hem, (33:2) Talloze engelen vergezelden hem – Voorgestelde lezing. MT: ‘En hij kwam van tienduizenden van heiligheid’. bliksem flitste uit zijn rechterhand. 3 Hij kreeg Israëls stammen lief, hij hield al de zijnen in zijn hand. Ze waren gezeten aan zijn voeten en ontvingen zijn onderwijzing. 4 Mozes gaf ons zijn onderricht als een kostbaar bezit voor Jakobs volk. 5 Zo werd de HEER koning van Jesurun, terwijl de oudsten van het volk bijeen waren en de stammen van Israël zich verzameld hadden.
6 Ruben, hij moge leven, en niet sterven, hoe gering zijn aantal ook is.’
7 Dit zei hij over Juda: ‘O HEER, hoor Juda’s hulpgeroep, laat zijn strijders behouden huiswaarts keren, want ze voeren een eenzame strijd. Sta hun ter zijde tegen hun vijanden.’
8 Over Levi zei hij: ‘HEER, u vertrouwt uw orakelstenen toe aan Levi, uw vertrouweling. U stelde hem op de proef bij Massa, daagde hem uit bij het water van Meriba. 9 Hij had geen mededogen met zijn vader en moeder, zijn eigen broers ontzag hij niet, zijn kinderen waren als vreemden voor hem. Want de Levieten hielden zich aan wat u gebood, het verbond dat u sloot bleven ze trouw. 10 Laat hen uw regels onderwijzen aan Jakob, uw voorschriften doorgeven aan Israël. Laat hun geurige gave u behagen, laat hen brandoffers brengen op uw altaar. 11 HEER, zegen hen met voorspoed en zie welwillend op hun verrichtingen neer. Maar breek hun tegenstanders de heup, verlam hun vijanden voor altijd.’
12 Over Benjamin zei hij: ‘De HEER laat zijn lieveling bij zich schuilen. Zijn kind omarmt hem van vroeg tot laat, het nestelt zich veilig op zijn rug.’
13 Over Jozef zei hij: ‘Moge de HEER zijn land rijk zegenen met de gaven van hemelwater, met dauw, en met de oervloed die onderaards woont; 14 met al wat de zon laat groeien, met de zegening van de jaargetijden; 15 met de weelde van oeroude bergen, met de gaven van eeuwige heuvels; 16 met al wat de aarde te bieden heeft. Moge de gunst van hem die in de doornstruik was rusten op Jozef, de uitverkorene onder zijn broers. 17 Machtig als een eerstgeboren stier (33:17) als een eerstgeboren stier – Volgens een Qumran-handschrift en de oudste vertalingen. MT: ‘zijn eerstgeboren stier’. is hij; hij heeft twee horens als een oeros, waarmee hij vijandige volken wegstoot tot voorbij de einden der aarde: het zijn de duizenden van Efraïm, de tienduizenden van Manasse.’
18 Over Zebulon zei hij: ‘Een voorspoedige vaart, Zebulon! En moge Issachar geluk vinden in zijn tenten! 19 Zij nodigen de anderen naar de berg waar ze waardige offers brengen. Zij halen overvloed van overzee, graven rijkdom op van onder het zand.’
20 Over Gad zei hij: ‘Geloofd is hij die ruimte gaf aan Gad. Gad waakt over zijn deel als een leeuwin, die alles verslindt wat in haar klauwen valt. 21 Het beste land koos hij voor zichzelf: dat land was een aanvoerder waardig, daar verzamelden zich de oudsten van het volk. (33:21) dat land was een aanvoerder waardig, / daar verzamelden zich de oudsten van het volk – Voorgestelde lezing. MT: ‘want daar was het stuk land van de wetgever verborgen en de hoofden van het volk kwamen’. Hij volbracht de wil van de HEER, hij volvoerde zijn bevrijding van Israël.’
22 Over Dan zei hij: ‘Dan is als een jonge leeuw die uit Basans bossen te voorschijn springt.’
23 Over Naftali zei hij: ‘Naftali is door de HEER ruim bedeeld, rijk gezegend door zijn gunst. Laat hij het westen en zuiden veroveren.’
24 En over Aser zei hij: ‘Gezegend is Aser, nog meer dan zijn broeders, moge hij bij hen allen geliefd zijn. Hij zal waden door de olijfolie, 25 en al zijn steden zijn versterkt met grendels van ijzer en brons. Niets zal hem deren zolang hij leeft.’
26 ‘Wie, Jesurun, wie evenaart uw God? Als een vorst rijdt hij langs de hemel en over de wolken, om u te hulp te komen. 27 Van oudsher is God een schuilplaats, zijn armen dragen u voor eeuwig. Hij dreef uw vijand op de vlucht en droeg u op: “Vernietig hem!” 28 Israël mocht in vrede leven, Jakob woonde ongestoord in een land van koren en most, waarop dauw van de hemel neerdaalt. 29 Wie is zo gelukkig als u, Israël? Geen ander volk liet de HEER de overwinning. Hij is het schild dat u beschermt, het zwaard dat u triomfen brengt. De vijand moet uw macht erkennen, hij zal het stof van uw voeten likken.’
[34] 1 Toen verliet Mozes de vlakte van Moab en hij beklom de Nebo, een van de toppen van de Pisga, tegenover Jericho. Daar liet de HEER hem het hele land zien: het hele gebied van Gilead tot aan Dan, 2 Naftali, het gebied van Efraïm en Manasse, heel Juda tot aan de zee in het westen, 3 de Negev, de Jordaanvallei en de vlakte bij de palmstad Jericho, tot aan Soar. 4 De HEER zei tegen hem: ‘Dit is het land waarvan ik aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede heb beloofd dat ik het aan hun nakomelingen zou geven. Ik laat het je nu zien, maar erheen oversteken zul je niet.’
5 Zo stierf Mozes, de dienaar van de HEER, daar in Moab, zoals de HEER gezegd had. 6 En de HEER begroef hem in een vallei in Moab, tegenover Bet-Peor. Tot op de dag van vandaag weet niemand waar zijn graf is. 7 Honderdtwintig jaar oud was Mozes toen hij stierf. Tot het laatst toe waren zijn krachten niet afgenomen en zijn ogen niet verzwakt. 8 De Israëlieten, die in de vlakte van Moab bijeen waren, treurden om Mozes’ dood tot de dertig dagen van rouw voorbij waren. 9 Ze luisterden naar Jozua, de zoon van Nun, omdat hij vervuld was met de geest van wijsheid sinds Mozes hem de handen had opgelegd. Daarmee deden de Israëlieten wat de HEER tegen Mozes had gezegd.
10 Nooit meer heeft Israël een profeet gekend als Mozes, met wie de HEER zo vertrouwelijk omging. 11 Door zijn toedoen heeft de HEER in Egypte tekenen en wonderen laten zien aan de farao en zijn onderdanen, aan heel zijn land. 12 Van alles wat Mozes’ krachtige hand verrichtte en van de daden waarmee hij alom ontzag inboezemde, is heel Israël getuige geweest.
|
|
|
 |


 |
|
Frans van der Poort (1934)
uit Dordrecht
Facilitair medewerker
|
|
Ervaring met inspreken bij de S.V.B. Studie & Vakbibliotheek filiaal Rotterdam, doe dit graag.
|
|
|
|