|
|

 
|
|
| |

Nehemia
13: 15-31
Nehemia treedt op tegen misstanden

15 In diezelfde tijd zag ik in Juda op sabbat mensen druiven in wijnpersen treden en graanschoven op ezels laden, en ook wijn, druiven, vijgen en allerlei koopwaar naar Jeruzalem brengen, en dat op sabbat, en ik vermaande hen omdat zij op die dag levensmiddelen verkochten. 16 De Tyriėrs die er woonden voerden op sabbat vis aan en andere koopwaar, die ze verkochten aan de Judeeėrs, en dat in Jeruzalem! 17 Ik maakte de vooraanstaande burgers van Juda verwijten, en zei tegen hen: Wat doet u voor schandaligs, u ontheiligt de sabbat! 18 Is dat niet hetzelfde wat uw voorouders deden, en waarom onze God zoveel kwaad over ons en over deze stad heeft gebracht? Door de sabbat te ontheiligen roept u een nog groter onheil over Israėl af. 19 Zodra het bij de poorten van Jeruzalem rustig was geworden, vlak voor het ingaan van de sabbat, beval ik dat de poortdeuren moesten worden gesloten en pas weer mochten worden geopend op de dag na de sabbat, en ik stelde een aantal van mijn mannen bij de poorten op; op sabbat kwam er geen koopwaar de stad meer binnen. 20 Handelaars en kooplieden overnachtten daarop een paar maal buiten Jeruzalem. 21 Ik waarschuwde hen met de volgende woorden: Waarom overnacht u bij de muur? Als u dat nog eens doet, laat ik u inrekenen! en vanaf die tijd kwamen zij niet meer op sabbat. 22 Tegen de Levieten zei ik dat ze zichzelf moesten reinigen en de poorten moesten komen bewaken, opdat de sabbat een heilige dag zou blijven. Mijn God, denk ook hierom aan mij, en wees met mij begaan in uw grote goedgunstigheid.
23 In diezelfde tijd ook kwam ik erachter dat er Joden met vrouwen uit Asdod, Ammon en Moab waren getrouwd, 24 en kinderen hadden van wie de helft Asdoditisch of de taal van een ander volk sprak, maar geen Judees. 25 Ik maakte hun daarover verwijten, ik vervloekte hen, sommige mannen sloeg ik, ik trok de haren uit hun hoofd en ik bezwoer hen bij God: Waag het niet je dochters aan hun zonen te geven of een van hun dochters voor je zonen of voor jezelf te nemen! 26 Zijn dit niet de vergrijpen waaraan Salomo, de koning van Israėl, zich schuldig maakte? Onder alle volken was er geen koning zoals hij, hij was geliefd bij zijn God, en God stelde hem dan ook als koning over heel Israėl aan, maar zelfs hij zondigde vanwege vrouwen van buitenlandse afkomst. 27 En moeten wij nu over jullie horen dat ook jullie deze grote fout maken, dat jullie onze God ontrouw zijn door met vreemde vrouwen te trouwen? 28 Zelfs een van de zonen van Jojada, de zoon van de hogepriester Eljasib, was getrouwd met de dochter van Sanballat uit Choron, en ik joeg hem van mij weg. 29 Vergeet niet, mijn God, dat zij en de Levieten het priesterschap en het priesterlijk verbond dat u met hen hebt gesloten, te schande hebben gemaakt. 30 Vervolgens reinigde ik hen van alle vreemde smetten, en ik stelde roosters op voor de werkzaamheden van de priesters en de Levieten, naar de aard van hun werk, 31 en ook voor de levering van hout op vastgestelde tijden, en voor de aanvoer van de eerste oogst. Reken het mij, mijn God, ten goede aan.
|
|
|
 |


 |
|
Robert Dorsman (1955)
uit Utrecht
Literair vertaler
|
|
Ik heb de nieuwe bijbelvertaling gevolgd in 'werk in uitvoering' en ben benieuwd hoe ze klinkt! Ben door mijn gereformeerde opvoeding zeer vertrouwd met de Schrift. Wil graag voorlezen!
|
|
|
|