|
|

 
|
|
| |

Psalmen
14: 1-7
Psalmen

[14] 1 Voor de koorleider. Van David.
Dwazen denken: Er is geen God. Verdorven zijn ze, en gruwelijk hun daden, geen van hen deugt. 2 De HEER kijkt vanuit de hemel naar de mensen om te zien of er één verstandig is, één die God zoekt.
3 Allen zijn afgedwaald, allen ontaard, geen van hen deugt, niet één. 4 Hebben ze dan geen inzicht, die kwaadstichters? Ze verslinden mijn volk of het brood is en roepen de HEER niet aan.
5 Nog even, en hen overvalt een hevige angst, want God is met de rechtvaardigen. 6 Lach maar om het vertrouwen van de zwakke – hij vindt zijn toevlucht bij de HEER.
7 Ach, laat uit Sion redding komen voor Israël. Als de HEER het lot van zijn volk ten goede keert, zal Jakob juichen, Israël zich verheugen.
|
|
|
 |


 |
|
Marja Zomer-Hordijk (1953)
uit Hoogland
Radio-diagnostisch laborante
|
|
Wat ik al gelezen heb van de nieuwe vertaling vind ik prachtig. Iedereen moet die lezen of horen.
|
|
|
|