|
|

 
|
|
| |

Psalmen
24: 1-10
Psalmen

[24] 1 Van David, een psalm.
Van de HEER is de aarde en alles wat daar leeft, de wereld en wie haar bewonen, 2 hij heeft haar op de zeeën gegrondvest, op de stromen heeft hij haar verankerd.
3 Wie mag de berg van de HEER bestijgen, wie mag staan op zijn heilige plaats? 4 Wie reine handen heeft en een zuiver hart, zich niet inlaat met leugens (24:4) zich niet inlaat met leugens – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en de oudste vertalingen. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘geen valse eed aflegt op mijn leven’. en niet bedrieglijk zweert.
5 Zegen zal hij ontvangen van de HEER en recht verkrijgen van God, zijn redder. 6 Dat valt hun ten deel die u zoeken, die zich tot u wenden – het volk van Jakob. sela
7 Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, aloude ingangen: de koning vol majesteit wil binnengaan. 8 Wie is die koning vol majesteit? De HEER, machtig en heldhaftig, de HEER, heldhaftig in de strijd.
9 Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef ze, aloude ingangen: de koning vol majesteit wil binnengaan. 10 Wie is hij, die koning vol majesteit? De HEER van de hemelse machten, hij is de koning vol majesteit. sela
|
|
|
 |


 |
|
Leendert de Jong (1952)
Directeur Zendtijd voor Kerken
|
|
|
|
|
|