|
|

 
|
|
| |

Psalmen
28: 1-9
Psalmen

[28] 1 Van David.
U, HEER, roep ik aan, mijn rots, houd u niet doof. Als u blijft zwijgen, word ik een dode met de doden in het graf.
2 Hoor mijn smeekbede als ik u om hulp roep, als ik mijn handen ophef naar het hart van uw heiligdom.
3 Ruk mij niet weg met de kwaadwilligen, met hen die onrecht doen, die hun vrienden vrede wensen, maar in hun hart zinnen op kwaad.
4 Geef hun wat ze verdienen, vergeld hun naar hun daden, naar het werk van hun handen, laat hen voor hun misdrijven boeten. 5 Voor uw daden, HEER, hebben ze geen oog, noch voor het werk van uw handen. Breek hen af, bouw hen niet meer op.
6 De HEER zij geprezen, hij heeft mijn smeekbede gehoord. 7 De HEER is mijn kracht en mijn schild, op hem vertrouwde mijn hart, ik werd geholpen en mijn hart jubelde, hem wil ik loven in mijn lied.
8 De HEER is de kracht van zijn volk, (28:8) zijn volk – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen. MT: ‘voor hen’. een burcht van redding voor zijn gezalfde. 9 Red het volk dat u toebehoort, zegen het, wees zijn herder en draag het voor eeuwig.
|
|
|
 |


 |
|
Marleen van Veelen-van Voorden (1953)
uit Heemstede
|
|
|
|
|
|