|
|

 
|
|
| |

Psalmen
53: 1-7
Psalmen

[53] 1 Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een kunstig lied van David.
2 Dwazen denken bij zichzelf: Er is geen God. Verdorven zijn ze, en gruwelijk is hun onrecht, geen van hen deugt. 3 God kijkt vanuit de hemel naar de mensen om te zien of er één verstandig is, één die God zoekt.
4 Allen zijn afgegleden, allen ontaard, geen van hen deugt, niet één. 5 Hebben ze dan geen inzicht, die kwaadstichters? Ze verslinden mijn volk of het brood is en God roepen ze niet aan.
6 Nog even, en hen overvalt een hevige angst, een angst als nooit tevoren. God zal het gebeente van je belagers verstrooien, lach maar om hen, want God heeft hen verworpen.
7 Ach, laat uit Sion redding komen voor Israël. Als God het lot van zijn volk ten goede keert, zal Jakob juichen, Israël zich verheugen.
|
|
|
 |


 |
|
Pim Verboom (1962)
uit Ede
Maatschappelijk werker
|
|
Interesse in de nieuwe bijbelvertaling; interesseren van mijn kinderen.
|
|
|
|