|
|

 
|
|
| |

Psalmen
57: 1-12
Psalmen

[57] 1 Voor de koorleider. Op de wijs van Verdelg niet. Van David, een stil gebed, toen hij voor Saul was gevlucht in een spelonk.
2 Wees mij genadig, God, wees mij genadig, want bij u is mijn leven geborgen. In de schaduw van uw vleugels zal ik schuilen, tot het doodsgevaar is geweken.
3 Ik roep tot God, de Allerhoogste, tot God, die mij beschermt. 4 Uit de hemel zal hij hulp sturen, wie mij bedreigt wordt smadelijk verjaagd. sela Ja, God stuurt mij zijn liefde en trouw.
5 Tussen leeuwen moet ik liggen, tussen dieren die mensen verslinden, hun tanden zijn speren en pijlen, hun tong is een geslepen zwaard.
6 Verhef u boven de hemelen, God, laat uw glorie heel de aarde vervullen.
7 Ze hadden een net op mijn weg gespannen, mijn voeten raakten erin verstrikt, ze hadden voor mij een kuil gegraven, maar vielen er zelf in. sela
8 Mijn hart is gerust, o God, mijn hart is gerust, ik wil voor u zingen en spelen. 9 Ontwaak, mijn ziel, ontwaak met harp en lier, ik wil het morgenrood wekken.
10 U, Heer, zal ik loven onder de volken, over u zingen voor alle naties. 11 Hemelhoog is uw liefde, tot aan de wolken reikt uw trouw.
12 Verhef u boven de hemelen, God, laat uw glorie heel de aarde vervullen.
|
|
|
 |


 |
|
Hannah Verboom (1989)
uit Ede
Scholier
|
|
Ik vind het een leuk idee en ik wil daar graag een deel van uitmaken.
|
|
|
|