|
|

 
|
|
| |

Psalmen
137: 1-9
Psalmen

[137] 1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij treurend en dachten aan Sion. 2 In de wilgen op de oever hingen wij onze lieren.
3 Daar durfden onze bewakers te vragen om een lied, daar vroegen onze beulen: ‘Zing voor ons een vrolijk lied uit Sion.’ 4 Hoe kunnen wij zingen een lied van de HEER op vreemde grond?
5 Als ik jou vergeet, Jeruzalem, laat dan mijn hand de snaren vergeten. 6 Laat mijn tong aan mijn gehemelte kleven als ik niet meer denk aan jou, als ik Jeruzalem niet stel boven alles wat mij verheugt.
7 Gedenk, HEER, de dag van Jeruzalems val, toen het volk van Edom zei: ‘Neer met die stad, neer, maak haar met de grond gelijk.’
8 Babel, weldra word je verwoest. Gelukkig hij die wraak zal nemen en jou doet wat jij ons hebt gedaan. 9 Gelukkig hij die jouw kinderen grijpt en op de rotsen verplettert.
|
|
|
 |


 |
|
Jan Wolsheimer (1970)
uit Zoetermeer
|
|
Geweldig initiatief.
|
|
|
|